Milieu

Ruimte voor duurzaam

De klimaatproblemen vragen om verduurzaming van de ruimtelijke ordening. Aanpassingen van ruimtegebruik kosten vaak veel tijd. En eenmaal genomen beslissingen werpen hun schaduw ver vooruit, soms meer dan honderd jaar. Dat vraagt om zorgvuldige keuzes, er is geen snelle weg terug. Zo lijkt het verstandig om nieuwbouw bij voorkeur te plannen in en naast bestaande steden, hand in hand met duurzame mobiliteit, en bij voorkeur boven NAP in verband met zeespiegelstijging. Hieronder een overzicht.

Lange aanlooptijden

Aanpassingen in de ruimtelijke ordening hebben lange aanlooptijden (zie tabel 1). De meeste tijd is nodig voor aanpassingen in de ondergrondlaag: wanneer we bijvoorbeeld land willen winnen via nieuwe polders, nieuwe steden willen bouwen of waterberging willen regelen. Ook de netwerklaag wijzigen vraagt veel tijd. De huidige netwerklaag draagt de sporen van een ver verleden. Spoorwegen volgen meestal nog de routes die gekozen zijn in de 19e eeuw. Autowegen worden vooral verbreed en niet verlegd. Beperkt zijn nieuwe wegen aangelegd, vooral ringwegen om de steden. Ook woningen worden gebouwd met een lange levensverwachting. Verstedelijking heeft vooral geleid tot groei van bestaande steden. Van de veertig grootste steden in Nederland  zijn er maar vier relatief nieuw: Almere (nr 6 qua grootte), Zoetermeer (nr 18), Lelystad (nr 29) en Hoofddorp (nr 34).

LandschapslagenVoorbeeldenTijd nodig om de laag te veranderen (jaar)
occupatielaagmenselijk gebruik: wonen, werken, recreatie10-40
netwerklaaginfrastructuur: wegen, spoor, energie20-80
ondergrondlaagfysieke basis: polders, locatie steden, Deltawerken>100

Tabel 1. De drie landschapslagen uit de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening (2001).

Klimaatmitigatie en -adaptatie

De klimaatproblemen vragen om twee soorten maatregelen: mitigatie en adaptatie, oftewel aanpakken en aanpassen. Mitigatie betreft de daadwerkelijke reductie van broeikasgassen. Adaptatie gaat over het weerbaarder worden tegen de al op gang komende klimaatverandering. Door de hogere gemiddelde temperaturen zal er meer water verdampen en meer ijs smelten. En dat heeft weer een hele reeks gevolgen:

  • Meer droogte en hitte heeft gevolgen voor landbouw (slechte oogsten) en leefbaarheid in steden (hittestress). Het leidt ook tot uitputting van grondwatervoorraden en aantasting van de sterkte van onze dijken.
  • Meer regenval, met incidenteel en lokaal zwaardere buien, vergroot de kans op overstroming, door de regenval zelf en door hoog water in rivieren.
  • Door het smelten van landijs en het uitzetten van zeewater door de hogere temperaturen stijgt de zeespiegel. Dit leidt tot een grotere kans op stormvloeden.
  • Het oppervlakte- en grondwater wordt zouter (verzilt) door een combinatie van zeespiegelstijging, vaak lagere rivierstanden (door het verdwijnen van gletsjers), teveel grondwaterwinning, en bemaling van polders die toeneemt door voortschrijdende bodemdaling. Dit bedreigt de landbouw en de drinkwaterkwaliteit.

Adaptatie-maatregelen

Al deze bedreigingen hebben gevolgen voor de ruimtelijke ordening en vragen om adaptatie:

  • Bescherming tegen overstromingen, door dijkverhoging en grootschalige wateropslag. Opslag van zoet water kan ook verdroging tegengaan en de beschikbaarheid van drinkwater borgen.
  • Aanpassing van steden, hittebestendiger met meer groen en schaduw, en met meer waterberging.
  • Het verdient aanbeveling niet verder te bouwen in diepe polders. Juist daar is de kans op overstromingen het grootst en is de meest aangewezen plek voor waterberging.  Vanwege de stijging van de zeespiegel dient grootschalige nieuwbouw bij voorkeur plaats te vinden boven NAP, dat is in Zuid- en Oost-Nederland, grofweg ten oosten van Utrecht.
  • Bij een verwachte zeespiegelstijging van 0,3-2,0 meter in 2100 lijkt de huidige kustbescherming inclusief Deltawerken onvoldoende. Het ontwerp van de Deltawerken hield namelijk rekening met een stijging van 0,4 meter. Verdere dijkverhoging ligt voor de hand. Maar er worden ook radicale proefballonnen opgelaten, zoals de Northern European Enclosure Dam, waarbij de Noordzee en het Kanaal afgedamd worden tussen Bretagne en Cornwall en tussen Schotland en Noorwegen. De totale damlengte is 537 km met een diepte van meestal 100 m en soms meer dan 300 m. De aanleg zou 50 tot 100 jaar duren, en er ontstaan nieuwe risico’s zoals een dambreuk. Vooralsnog wordt hier niet serieus aan gewerkt.

Adaptatie is niet nieuw voor Nederland en is vooral gericht op watermanagement. De strijd tegen het water is eeuwenoud. Maar de focus verschuift. Oorspronkelijk ging het vooral om landwinning door inpoldering en indijken tegen stormvloeden, met als climax het Deltaplan (1955) direct na de Watersnoodramp van 1953. In 1997 kwam het programma ‘Beleidslijn ruimte voor de rivier’, met dijkverzwaring en meer ruimte voor waterberging, naar aanleiding van de grote overstromingen in 1995 door een teveel aan kanalisering van rivieren. Hierna ontstaat geleidelijk meer aandacht voor de invloed van klimaatverandering, startend met het Nationaal Programma Adaptatie Ruimte en Klimaat (2005)

Mitigatie: energie

Voor het energiesysteem betekent mitigatie ruimte creëren voor wind (vooral op zee) en zonneweides. Voor groene waterstof is er nieuwe infrastructuur nodig: een hogedrukpijpleiding en opslag in zoutcavernes (zie figuur 1). Lokaal zijn er mogelijkheden voor aardwarmte. In het geval er kerncentrales gepland zouden worden (ondanks de hoge kosten, zie mijn artikel in MIlieuMagazine van december 2024), dan dienen bouwlocaties vastgesteld met voldoende afstand tot de bewoonde omgeving. In het geval van bouw van meerdere kleine kerncentrales (zogenaamde Small Modular Reactors) zal dat nog hoofdbrekens geven. De doorzettende elektrificatie van de samenleving vraagt om verzwaring van ons elektriciteitsnet. Steeds meer stroom wordt afgenomen door nieuwe datacenters van de grootste ICT-bedrijven (‘hyperscalers’). Door de snelle opkomst van AI worden deze ‘ICT-dozen’ steeds groter. De escalatie van hun stroom- en waterverbruik bedreigt de verduurzaming. Alleen met goede controle, via vergunningen die scherpe eisen stellen ten aanzien van energieverbruik, zou dit mogelijk moeten zijn.  

Figuur 1. Gepland waterstof-hoofdnetwerk van Nederland (klaar in 2032), dichtbij bij bestaande industrie en nieuwe waterstofopslag in Zuidwending (info van Hynetwork).

Moerdijk

Recent wordt serieus overwogen om voor het plan ‘Powerport regio Moerdijk’ het dorp Moerdijk te slopen per 2035. Er zou naast het bestaande industrieterrein een extra ruimtebehoefte zijn van 700 hectare. Voor uitbreiding van het stroomnet, met een 150/380 kV hoogspanningsstation, en de bouw van een groen-waterstofknooppunt, inclusief een grote electrolyzer-waterstoffabriek. Het is momenteel onduidelijk of de ruimtebehoefte van deze projecten deze radicale stap rechtvaardigt. Sommige projecten zijn namelijk onzeker of zelfs nog onbekend, of kunnen beter elders gerealiseerd worden. Zo is de bouw van grote waterstoffabrieken overal mogelijk waar het nieuwe waterstofnet passeert (zie figuur 1), en ligt bouw dichter bij wind-op-zee meer voor de hand, en is het zeer de vraag hoe groot de groene waterstofproductie binnen Nederland zal worden. Waarschijnlijker is het dat we op grote schaal waterstof in de vorm van derivaten zullen importeren, zoals groen staal en ammoniak.

Mitigatie: landbouw

Aanpassing van landbouw zal moeten leiden tot minder productie van CO2 (minder ontbossing door minder import van veevoer, meer grondgebonden kringlooplandbouw, het natter houden van veengebieden), minder methaan (minder rundvee), en minder lachgas (minder overschot aan stikstofmest). Hierbij komt beperkt grond vrij die opnieuw bestemd kan worden, voor meer akkerbouw, koolstoflandbouw (het vastleggen van CO2), meer natuur en, beperkt, woningbouw.

Mitigatie: mobiliteit

De huidige ruimtelijke ordening is gebaseerd op hoge mobiliteit op basis van overvloedig particulier autogebruik, maar dit heeft een grote CO2-voetafdruk. Privé-autogebruik kan ontmoedigd worden door te zorgen voor goede alternatieven. Nieuwe woningen dienen bij voorkeur gebouwd te worden dichtbij werk, groen/recreatie en andere functies zoals scholen en winkels. De kleinere transportafstanden kunnen dan gemakkelijker te voet of op de fiets afgelegd worden. Voor de langere afstanden dienen er goede alternatieven te zijn voor de personenauto, zoals goed openbaar vervoer en deelauto’s. Dit alles kan vooral bereikt worden door verdichting van woningbouw binnen steden en aanbouw van nieuwe wijken aan steden (inbreien respectievelijk aanbreien). Door het gebruik van hoogbouw en een lage parkeernorm kan hoge woondichtheid gecombineerd worden met veel groen. Nu nog neemt de woondichtheid in steden geleidelijk af, terwijl de werkgelegenheid in steden groter is dan daarbuiten; er wordt veel geforenst. In 2002 woonde bijvoorbeeld 15% van de beroepsbevolking in de vier grote steden, ten opzichte van 19% van de werkgelegenheid. Interessante ontwikkelingen zijn een aantal grootschalige autoluwe en autovrije wijken: GWL-terrein (1996) en Houthavens (2015) in Amsterdam en de Merwedewijk in Utrecht (2025).

Mitigatie: bouw

Er wordt gesproken over circulair bouwen, energiezuinig en met gebruik van duurzame energie en materialen. Dit raakt maar zijdelings aan ruimtelijke ordening! Nieuwbouw kan gerealiseerd worden met minder beton en meer hout. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van houtstapelbouw of houtskeletbouw. Bij die laatste kunnen modules vaak goedkoop prefab geproduceerd worden. En prefab maakt het mogelijk om sneller te bouwen. De modules maken ook het recyclen van materialen makkelijker. Verder kunnen met houtbouw ook bestaande woningen beter ‘opgetopt’ worden. Staal zal binnenkort groen geproduceerd worden, op basis van groene waterstof en meer schroot recycling. Er zijn diverse initiatieven om cement en beton te maken met tot 70% minder CO2-emissie; de resterende 30% moet afgevangen worden met CCS. Natuurlijke isolatiematerialen zoals hennep kunnen gebruikt worden in plaats van PUR en minerale wol. Huizen worden gasloos door elektrificatie: verwarming met warmtepompen of airco’s of duurzame blokverwarming. Ook het bouwproces zelf moet duurzaam, door elektrificatie van vervoer en bouwvoertuigen.

Woningnood

Er is in Nederland woningnood ontstaan door een combinatie van oorzaken: bevolkingsgroei door migratie, steeds meer eenpersoonshuishoudens, en gewenning aan veel woonruimte. Er is een hoge urgentie: er moeten naar schatting één miljoen woningen gebouwd worden in de komende tien jaar. Er zijn nu meer grote, eengezinswoningen dan nodig (5 van de 8 miljoen woningen, versus 2,7 miljoen gezinnen) en er is een tekort aan kleinere woningen. Sommige partijen willen nieuwe steden bouwen, maar dat vraagt om veel investeringen in infrastructuur en het heeft een lange aanlooptijd. JA21 en D66 willen daarvoor land inpolderen (in een nieuwe Markerwaard, respectievelijk IJstad ten westen van Almere), maar dat gaat ten koste van kritische waterbergingscapaciteit van het IJsselmeer. Stedelijke verdichting en eventueel aanbouwen aan bestaande steden is sneller en duurzamer. Je benut zo bestaande infrastructuur en het werk is ‘om de hoek’. Naast nieuwbouw ligt een belangrijk en duurzaam deel van de oplossing in het matigen van bevolkingsgroei en het beter benutten van de bestaande woningvoorraad. Een matiging van migratie en bevolkingsgroei wordt voorgesteld door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 (commissie van Zwol, 2024), om in 2050 uit te komen op maximaal 19-20 miljoen inwoners. Ook een woonruimtebelasting zou kunnen helpen. Tegenover de woningzoekenden staat een veel grotere groep die zeer tevreden is met hun huisvesting, vaak (te) groot woont maar niet in beweging komt. Je zou doorstroming en woningdelen kunnen stimuleren door de invoering van een woonruimtebelasting (bijvoorbeeld in plaats van het huidige eigenwoningforfait): wie relatief ruim woont, d.w.z. met meer dan het huidige gemiddelde van 55 m2 p.p., betaalt belasting voor die extra ruimte. Wie minder ruimte inneemt, krijgt belasting terug (zie artikelen van Frank Kalshoven in de Volkskrant, 2024). 

Geen spijt

De oplossing van maatschappelijke problemen zoals klimaatverandering en woningnood leiden onherroepelijk tot snelle veranderingen in het ruimtegebruik. Deze zijn vaak onomkeerbaar, we moet er geen spijt van krijgen. Er moeten zorgvuldige keuzes gemaakt worden met oog voor de langere termijn.

Foto: Daria Nepriakhina (Unsplash)

Deel deze blog:

Nieuw: via Ecosofie Academy

Training Duurzame ambitie

Besteed je de 80.000 uur die een gemiddelde carrière telt wel optimaal om duurzaamheid te bevorderen? In dit programma ga je die vragen onderzoeken én word je geholpen om tot concrete acties te komen.